Op 14 mei 2009 was het veertig jaar geleden dat Nederland een overeenkomst met Marokko sloot over de werving van gastarbeiders. Duizenden Marokkaanse mannen, die voornamelijk uit het achtergestelde Rifgebied afkomstig waren, trokken daarna naar Nederland. Ze hoopten in korte tijd snel geld te verdienen waarna ze met een goed gevulde beurs naar het geboortedorp zouden terugkeren om een eigen zaak te beginnen, grond te kopen of een huis te bouwen.
Deze hoop was snel vervlogen. Na de oliecrisis van 1973 begon Nederland aan een ongekende herstructurering van haar economie. In de mijnen, de textielnijverheid en andere traditionele industrieën waar de Marokkaanse gastarbeiders juist voor geworven waren vielen massaontslagen. De mannen kwamen in groten getale bij de sociale dienst terecht. Een uitkering was niet voldoende om zowel in eigen levensonderhoud als voor het achtergebleven gezin in Marokko te zorgen. De gastarbeiders waren gedwongen om vrouw en kinderen over te laten komen. Terugkeren zonder geld zou immers gezichtsverlies betekenen, je was mislukt.
Vanaf eind jaren zeventig begint de gezinshereniging. Jonge kinderen die in een gesloten dorpsgemeenschap waren opgegroeid, bevonden zich opeens in een grote stad waar alles leek te mogen. Kinderen die gewend waren door familie en vreemden gecorrigeerd te worden als ze iets deden wat niet mocht, waren in een samenleving terecht gekomen waar sociale controle leek te ontbreken. Sterker nog, de Nederlandse samenleving leek na de ontzuiling allergisch voor alles wat naar toezicht riekte.
Hier is de bodem voor de latere problemen met de ‘Marokkaanse rotjochies’ gelegd. Als een kind iets uithaalde werd het niet direct gecorrigeerd maar kreeg het allerlei programma’s aangeboden. De ouders wilden juist hard ingrijpen, soms met fysiek geweld. Zo waren ze zelf ook opgevoed, ‘wie niet luisteren wil moet maar voelen’. De kinderbescherming was niet gediend van deze aanpak en vele ouders werden uit het ouderlijk gezag ontheven. Dit was de definitieve ondermijning van de autoriteit van de ouders. Ze konden hun zoons niets meer maken, die waren nu in bescherming genomen door de Nederlandse overheid. Vooral de vaders kregen hierdoor een houding van ‘ze bekijken het maar’. Velen vielen terug op hun eigen vertrouwde gemeenschap, waarvan de moskee de zichtbare uitdrukking werd.
Dit is een mogelijke verklaring van de problemen van de Marokkaanse jongeren. Deze analyse zegt echter niets over de jongens en meiden die het juist heel goed doen in Nederland. Als je kijkt naar het aantal sportmensen, schrijvers, kunstenaars, politici etc., zie je dat de Marokkaanse gemeenschap in vergelijking met de andere grote gastarbeiderlanden het juist bovengemiddeld goed doet. De Marokkaanse Nederlander is wat dat betreft het best geïntegreerd. Dit heeft te maken met de lage organisatiegraad van de Marokkanen. De Turkse gemeenschap daarentegen is goed georganiseerd, met eigen media, voetbalclubs, huiswerkbegeleiding, muzieklessen etc. De Marokkaanse gemeenschap heeft dit in veel mindere mate, waardoor ze meer op Nederland georiënteerd is in plaats van op het land van herkomst.
Als een Marokkaanse sporter iets wil bereiken moet hij zich, bij gebrek aan een eigen club, bij een Nederlandse sportvereniging aansluiten. Als een Marokkaan iets met literatuur wil doen moet hij dat, bij gebrek aan een eigen geschreven taal, in het Nederlands doen. Als een Marokkaan überhaupt iets wil bereiken moet hij zich, bij gebrek aan mogelijkheden binnen de eigen gemeenschap en in het land van herkomst, richten op Nederland. De jongere die zich aan de eigen gemeenschap ontworsteld heeft en daarbij op het verkeerde pad terecht komt, is net zo hard aan het integreren als de degene die zich ook van de eigen groep ontvoogd heeft en prachtige boeken schrijft. Dit is de paradox van de Marokkaanse gemeenschap. We munten zowel aan de onder- als bovenkant van de sociale ladder uit, maar het is allebei integratie.




Marokkanen zijn voorlopig nog niet goed ingeburgerd. Inburgering wil zeggen dat men zich duidelijk durft uit te spreken, net als Nederlanders, over het politieke systeem -in Nederland of Marokko- en ook over kwesties als de bezetting van de Westelijke Sahara. In plaats dat Marokkanen hier inburgeren worden hier Marokkaanse politieke taboes ingevoerd. Het lijkt hetzelfde maar het is wat anders.